Een wervingsdepot in Elmina
In het begin van de jaren dertig van de negentiende eeuw kampte het Nederlandse koloniale leger in Oost-Indië met een tekort aan manschappen. De Java-oorlog van 1825–1830 had de Europese gelederen uitgeput, tropische ziekten doodden rekruten sneller dan schepen hen uit Europa konden aanvoeren, en de regering in Den Haag aarzelde om te zwaar te leunen op Javaanse soldaten in een gebied dat zij zojuist met moeite had onderworpen. De Goudkust, waar Nederland nog altijd het kasteel van Elmina en een reeks kleinere forten bezat, bood een derde mogelijkheid.
Een eerste groep West-Afrikaanse mannen vertrok in 1831 naar Java. Het experiment werd als geslaagd beschouwd, en na de missie van generaal-majoor Jan Verveer naar Kumasi in 1836–37 werd de regeling formeel vastgelegd met Asantehene Kwaku Dua I. In de vier decennia daarna verlieten ongeveer drieduizend mannen Elmina met bestemming Nederlands-Indië. In het Maleis werden zij bekend als Belanda Hitam — "zwarte Nederlanders".
Dienstneming of aankoop?
Hoe deze mannen soldaat werden, is de moeilijkste vraag in dit verhaal, en zij is nooit beslecht. Nederland had zijn deelname aan de trans-Atlantische slavenhandel in 1814 afgeschaft. Mannen ronduit kopen was daarmee verboden, en Nederlandse ambtenaren noteerden de rekruten zorgvuldig als vrijwilligers die voor een bepaalde diensttijd hadden getekend.
De praktijk was minder overzichtelijk. Veel rekruten waren onvrije mannen die door Asante of door tussenpersonen aan de kust werden geleverd; de gebruikelijke gang van zaken was dat een bedrag werd betaald aan degene die over hen beschikte, dat de man op het moment van dienstneming vrij werd verklaard, en dat datzelfde bedrag vervolgens gold als voorschot op zijn soldij, af te lossen in jaren dienst. Tijdgenoten in Nederland en Groot-Brittannië zagen de gelijkenis met een koop en zeiden dat ook. Historici zijn verdeeld gebleven: sommigen lezen de regeling als slavenhandel onder een andere naam, anderen benadrukken dat een deel van de rekruten — vooral later in de periode — uit eigen beweging lijkt te hebben getekend voor soldij, een uniform en een pensioen. Het waarschijnlijkste antwoord is dat beide beschrijvingen golden voor verschillende mannen in hetzelfde transport, en dat de administratie zo was ingericht dat het verschil onzichtbaar bleef.
Dienst op Java en Sumatra
Rekruten werden vanuit Elmina verscheept, meestal via de Kaap of Sint-Helena, en op Java opgeleid. In het koloniale leger werden zij betaald volgens de Europese schaal en niet volgens de lagere "inlandse" schaal — een onderscheid dat in een streng gelaagde instelling zwaar woog en dat bepaalde hoe zowel Javaanse als Nederlandse soldaten hen bezagen. Zij golden als betrouwbare troepen en werden ingezet voor garnizoensdienst en te velde in de hele archipel: op Java, op Sumatra en, voor wie na 1873 nog in dienst was, in de langdurige en meedogenloze oorlog in Atjeh.
Die status sneed aan twee kanten. Betere soldij en Europese rantsoenen maakten hen in de ogen van de koloniale staat nog geen Europeanen, en bevordering boven de lagere rangen was zeldzaam. Klachten over soldij, pensioenen en omstandigheden komen herhaaldelijk in de bronnen voor, en ten minste een deel van de mannen diende die klachten formeel in.
Purworejo en de nakomelingen
Soldaten die hun diensttijd voltooiden, konden hun pensioen in Indië opnemen in plaats van terug te keren, en velen deden dat. Zij trouwden met Javaanse vrouwen, en rond de garnizoensplaats Purworejo op Midden-Java ontstond een eigen Afro-Javaanse gemeenschap, waar nakomelingen van de Belanda Hitam zich nog altijd met die afkomst vereenzelvigen. Na de Indonesische onafhankelijkheid verhuisde een aantal van deze families, die via hun voorvaderen de Nederlandse nationaliteit bezaten, met de bredere repatriëring uit de voormalige kolonie naar Nederland — een land dat vrijwel volledig was vergeten waaraan zij hun bestaan dankten.
Java Hill in Elmina
Anderen namen ontslag en voeren naar huis. Gepensioneerde veteranen keerden met Javaanse vrouwen en kinderen terug naar Elmina en vestigden zich in een stadswijk die bekend kwam te staan als Java Hill. Het is een van de opmerkelijkste gevolgen van de hele regeling: een kleine gemeenschap van Indonesische afkomst aan de kust van Ghana, ontstaan uit het personeelstekort van een koloniaal leger, waarvan de sporen nog altijd zichtbaar zijn in straatnamen en familiegeschiedenissen van Elmina.
Hoe het eindigde
De werving hield op toen de Nederlandse aanwezigheid ophield. Op grond van de Engels-Nederlandse verdragen van 1870–71 droeg Nederland zijn bezittingen aan de Goudkust over aan Groot-Brittannië, en de overdracht van Elmina in april 1872 deed het depot, de scheepvaartroute en de diplomatieke band verdwijnen waarop het hele stelsel steunde. Groot-Brittannië had er geen belang bij de regeling voort te zetten.
Wat rest, is een zeldzame driehoeksgeschiedenis. De meeste beschrijvingen van het Nederlandse imperium behandelen West-Afrika en Oost-Indië als losse verhalen; de Belanda Hitam liepen er dwars doorheen, en de verbinding die zij tot stand brachten — tussen Kumasi, Elmina, Purworejo en uiteindelijk Nederland zelf — heeft elke instelling overleefd die haar heeft voortgebracht.